Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. AFDEELING. «31

* XXXVII.

Moeder. Pauline , van daag , komt je Oom J. hier eeten.

Pauline. O dat is goed Mama! dat is zoo een goeie Oom.

M. En waarom bietje hem zulk een goeden Oom?

P. Wel Mama, om dathy altyd doet het geen wy hem verzoeken, en ons altyd zoekt plaifier te doen,

M. Dat heb je heel wel; iemand, die een ander zoekt plaifier te doen, dien hiet men goed. Je weet wel , hoe 'er in jc vaarsje ftaat?

O Mamaatjen is zoo goéd1! Alles wil zy geeven.

Dat is te zeggen; om dat Mamaatje altoos gereed is,om aan haare kindertjes te geeven,alles wat hun plaifier doet, (wanneer zy teevens weet dat het hun geen kwaad kan doen,) daarom is zy goed. — En indien je iemand zaagt, die vier of vyf arme lieden, voor zyne deur, zag {taan, en aan den eenen een ftuk brood, aan den anderen een flefch bier, aan den derden een paar fchoenen, of wat geld, en zo© aan elk wat gaf, zou je dan ook

niet

Sluiten