is toegevoegd aan uw favorieten.

Werken van het dicht- en letterlievende genootschap onder de spreuk: Studium scientiarum genitrix.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELDICHTEN. 5

Misleide jongeling, in twijffling weggezonken ! Vlugt van den afgrond, u, ten wisfen val, bereid; Zie in bet grootsch heelal bet oog des fcheppers lonken; 't Zegt u: er is een God — er is ecne eeuwigheid!

Wie heeft der maen' haer' loop om de aerde voorgefchreven ? Wie heeft den ftand der zonn' zoo wijzelijk gerigt, Dat ons haer felle gloed, die plant en dier doet leven, Noch fchroeije, noch verteer', alleen verwarm', verlicht' ?

Wiens hand kan 't woest geweld des oceaens betoomen ? Wiens magt fchrijft aen den wind onfehendbre wetten voor ? Wie fcheidt de dunne lucht van 't vloeijend nat der ftroomen, En hoedt, dat zich nooit de een in 't andere verloor ?

Vermeetlen, die, te ftout, den fchepper durft verzaken, Daer gij voor 't fcheppingwerk uw oog gefloten houdt! Veelligt zult gij uw trotsch — uw roekeloosheid wraken, Zo gij, één oogenblik, uw eigen beeld befchouwt!

De geest, die in u woont, die fmacht van heet verlangen, Om in de onfterflijkheid de fterflijkheid te ontvliên, Vaek door het dik gordijn, voor 't fcheemrend oog gehangen, Naer 't eindelijke lot des fterflings heen wil zien:

Het teedere gevoel, dat uwe borst doet zwellen, Als uw natuurgenoot in drukkend leed verzinkt, Als wederwaerdigheên uw fchreden vergezellen; De wellust, dien gij vaek uit Rille tranen drinkt:

A 3 De