Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE REPUBLIKEIN. a?

afzonderlijke medeburgers, noch de geheele maatfchappij , als een zedenlijk perfoon befchouwd, benadeele.

Dat een ieder het volkomen recht bezit , om zijne gedachten en gevoelens openba?r te maaken, op zoodanige wijze, als hij zal goedvinden, mids die wijze aan de zoo even gemelde voorwaarde onderworpen zij.

Dat ieder Schrijver de voordbrengfelen van zijnen arbeid vrijlijk in omloop mag brengen, op zoodanige wijze, als hem best dunkt, zonder dat hij eenige fchending van het openbaar vertrouwen behoeft te duchten.

Dat de briefwisfeling ongefchonden moet blijven, als fteunende op het onderling vertrouwen, het geen tusfchen de fchrijvenden plaats heeft, en waarvan degrondilag in het bovengemelde onvervreemdbaar recht van fpreken gelegen is, zoodanig zelfs, dat allen, wie zij ook zijn , die dit geheim fchenden, zonder vóórkennis van den houder, aan wien het opfehrift gaat, eene zeer geftrengc ilraf verdienen.

Dat alles, wat niet uitdruklijk door de wetten verboden is, volkomen geoorlofd blijft.

Dat ieder Burger ten eenenmaale vrij is omtrend het gebruik zijner handen en tijdlijke middelen, zonder dat eenig zoort van arbeid zal mogen verboden worden, of eenig perfoon het recht kan hebben, hem in zijne nijverheid op eenigerhande wijze te belemmeren : zijnde het alleen aan de Wet overgelaten, om tien arbeid van bijzondere perfoonen ten meesten nutte van den geheelen Staat te wijzigen.

Dat een ieder volkomen meester is over zijne eigendommen, zoodanig, dat hij daarover naar goedvinden kan befchikken, zonder dat eenig perfoon hem daarin kan verhinderen; blijvende hiervan alleen uitgezonderd die gev;!ien, waarin eene rechterlijke wet, op hetvoorfchrift van gemeen belang gegrond, hieromtrend eenige billijke bepaalingen zal maaken.

Dat niemand van zijne Vrijheid mag beroofd worden, dan in die gevallen, welken daadlijk bij de Wet zijn bepaald geworden.

Dat alle deze rechten Volkomen gelijk zijn voor al» len, zoodanig, dat geen Burger immer kan voorwenden eenig uitfluitend recht op het een of ander voordeel der maatfchappij; terwijl alle zoodanige bevoorrechtingen , het zij van afzonderlijke perfoonen, of erkende Iichaamen of genootl'chappen, als ftrijdig met de aangevoerde rechten, uitdruklijk moeten geweerd worden.

D 2 Dat

Sluiten