Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t 33 D

ken kon: waar op vervolgends zo wel alle mijne medegevangenen die in dit vertrek zaten, als de knecht welke mij die wellekomgroet gedaan ha3, zo hartelijk begonnen te lagchen, dat hun de lever fchudde.

Ik moet tot roem van de Regenten of zogenoemde Buitenvaders van dit gevangenhuis, liog voorloopig aanhaalen , dat zodra zij mij in hunne vergadering de orden en wetten van het huis mondling aangezegd hadden, zij mij nier alieen alle mogelijke gemak toebragten , welke men in diergelijke ongelukkige omftandigheid verlangen kan, maar bovendien eene bijzondere zorg droegen, dat ik bij de beste en orden, telijklte gevangenen geplaatst werd; ja wat meer is, bij oogluiking gedoogden dat ik een nachtkaars branden mogt, hoe zeer zulks te. gen de gewoonte van zodanig gevangenhuis aanliep : het bleef bij alle deeze weldaadigheden niet berusten , aangezien de goedwillige Regentesfen mij een goed bed , en een nieuwe (laapbank befchikten, die mij op den dag tot een fchrijftafel diende, zo dat door dit vriendlijk en edelmoedig onthaal, ik geen oorzaak had mij wegens de hardigheid van mijne gevangenfchap te kunnen beklaagen ; te meer, wanneer mij door den Binnenvader kennis gegeeven werd, dat een gezelfchap, zaaien-

II. DEEL. C

Sluiten