Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15* Het vierde Gefprek van de

overftelling voortvloeijt, dat wij een afkeer hebben,

van't geen wij kwaad keuren. Deze wil volgt

altijd de laafte bepaaling des veritands; de ziel is onder afhankelijkheid .a God vrijwillig werkzaam.

c. De Magt, zijnde een vermogen der ziel om buiten zig te werken.-

!5o-) J. Dit begrijp ik nu klaarder. L. ik heb nu van de fchepping in't gemeen, en in 't bijzonder van de voortreflijkfte fchepzelen met U gesproken, maar 't is niet genoeg, dat gij weet, dat alles gefchapen is, en wie zulks verricht heeft.

1515

Maai- wanneer dit plaats heeft, gefchied dit om een grooter goed deelagtig te worden : 't eerfte, fchoon in zigzclvcn goed, moet hier ais een betrekkelijk kwaad aangemerkt wor. den, en 't laatfte fc&on nadeelig.' als een betrekkelijk goed

befchouwd worden De Wil volgt de Ualjie bepaaling des

yerjlands. Hoe is dit, zal een oplettende zeggen, altijd mogelijk , fchijnt de Wil 't Verband niet veel eer te dwarsboom men. Men heldert dit met een voorbeeld op; hoe kan, zegt men, een Medicus zig dan in fterken drank te buiten gaan , die 't nadcelige daarvan volkomen in deszelfs gevolgen kent? kan hij't onmaatig gebruik als goed beoordeelcn? zo niet, hoe kan 6c Wil dan volgen; delaatile bepaaling zijns vcrflands moet immers ahijd zijn, 'tonmatig gebruik daar va» is kwaad. Deze zwarigheid word egter gemakiijk weggenomen door «an te merken, dat 'er meer dan eenerlei goed is, te weten een aangenaam, eerlijk, natuwlijk, cn zedelijk goed. Iemand <Uc aan den drank verflaaft is, al is hij een. geneeskundige,

be*

Sluiten