is toegevoegd aan uw favorieten.

Poëtische en prosaïsche mengelingen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a é£ tfa

%f W

Ik zat in mi'n eenzaam boekvertrek, overpeinzende de verbastering der Ncderlandfdie zeden , vooruamenth'jk onder de vrouwelijke fexe, gereed uitterocpen : 'er worden (cbicr geene braave Meisjes meer gevonden, blikte ik bijgeval uit mijn venfier, en zag het fchoonfte Meisje dat mijn oogen immer aanfchnuwden; ijlings waren alle. mijne viouwenhaatende denkbeelden verdweenen; haar te zien en te befluiten baar aantefpreeken was het werk van tói oogenbük: ik fnelde van mijn boekenkamer en bad het geluk haar welhaast te vinden, aantefpreeken, en vriendelijk van haai bejegend te worden; na eenige woordenwi leiing dacht ik mij ver genoeg om het te wangen haar te verzoeken meermaal met mij uittegaan, en de gemaakte kennis te blijven aankweeken, dan, hoe verwonderd ftond ik, toen zij mij dit ronduit affloeg, en wel om reden dat zij reeds een Minnaar bad, gelijk zij mij opentUjli cn vrijmoedig bekende, en dat hij het zeer kwalijk zou ncemen dat zij mer andere Jongmans behalven met hem veitronweüjk verkeerde, behaJyen dat het ook de plicht van een braaf Meisje was, (bit -jiinn hatre ti^in C 5