Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C7)

Elk van hen vind rasch zyn voedf'1,

daar op 't veld het rype graan, Tot des landsbebouwers vreugde,

vettig mag in halmen ftoan. Moeder aarde ontfluic haar1 boezem,

als de zoete Vrd regeert, En doet ons haar' nettar fmaaken,

neftar die allenks vcrmcêrt. Alles wat natuur kan geeven

vloeit, gelyk een wel of vliet * Waar in Febus zyne ftraalen,

vol van teelkracht nederfchiet. — Gy, die op de zoete baaren

van Nephtunis blaauwen vaart, Lustig, rustig rond moet zwerven,

naar 't kompas en wind en kaart. —» Gy, die met uw zeekafteelen,

zeilende den dag begroet, En naar 'c zuiden heen wild vaaren,

of uw naar het westen fpoed. —— Gy, die in de felfte orcaanen,

u op houte kielen waagt, Kielen die de zee beploegen,

daar 't Matroosje roem op draagt. —s Gy, die Turken en Chineezen

opzoekt met uw zeekaftecl, Of, byna in 't bond omzwagteld,

frreeft na 't barre noorderdeel. —— En gy, die uw goed en leven,

waagt voor hauftede en altaar, Die uw Vyand durft tuftryaen,

als een dapp're heldenfchaar;

A 4 Frè-

Sluiten