Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen. Dan, toen wij allen naaukeurig gade fioegen; sagen wij fchielijk deze vorstin, hoe wel zittende, en 't befluijerd gezicht weemoedig ncerflaande, boven allen uitmunten: noch meer, toen zij, niet de haren, oprees. Panthea, fchoon min dierlijk gekleed, blonk door hare rijzige geftalt, fchoongevormden leest, edele deftigheid, en houding vol van zedigen zwier, boven allen voortrefüjk uit. Haar oog zwom in tra. nen, die, den boezem langs, tot de voeten neervloten. Zij getroost en wel te moe, edele vrouw! dus fprak haar ^mand uit 't gezelfchap van Araspes aan: was uw gemaal, Abradates, een voorbeeld van fchoonheid, en deugd onder de vorften; wij hebben zulk eenen voor u beftemd, die noch in fchoonheid, noch in carafter, noch in luifter, voor Abradates behoeft te zwichten. De grootmoedige Cyrus r wiens gij in 't vervolg zijn zult, verdient uwe verwondering voor

alle anderen. Dan deze hooffche troostrede door-

fneed den kuifchen boezem van Panthea, die, haar opperkleed wegfeheurende,. met hare maagden, inluid gejammer uitborst. Toen eerst kwam 't fchoon dezer fchone, wier gezicht, hals, cn handen ontbloot waren, rechtten voorfchgn. Voorzeker, zeide A-

raspes tegen Cyrus, fchoner vrouw zagen wij nimmer in Afie , ja , leefde er nergens : gij moet haar zien.

■ Nu voor al niet, hervattede Cyrus, indien zij

zoo is, als gij haar ophemelt. En waarom toch

niet? zegt de jongeling. Omdat, is 't andwoord van Cyrus,— liet ik mij overreden haar, die gij zoo verrukkend fchoon afmaalt, te gaan zien,— zij mij ïïgt kon bekoren oui haar meer te bezoeken, en ik, op

Sluiten