is toegevoegd aan je favorieten.

Genees- en zedenkundige verhandeling over de hartstochten.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19» *

heid van geest, en edele gemoedskracht,— echten, rechtfchapen adeldom, die een keizer zou kunnen lonen, doch hoogstzelden loont, en nimmer kan fcheppen; die zich den palmtak fchaamt zonder geftreden te hebben (a) ; die het zich ter fchande zou rekenen, grotere veerkracht te bezigen op dat geen, 't welk voor geringere wijkt (6) ; die zich hardt in het harde te doen buigen (c). De Stocyn bezigde hier toe zelfs zijn noodlot: bekend' is de machtfpreuk van Cleanth (d). 'Er is, welken meenen, dat grote helden, dusgenaamd, veelal op fatalisme bouwen (e). Ik laat dit in 't midden : hoe echter het gemelde eenen krachtigen invloed hebbe op vele bezondere gemoedsneigingen, en de da-

nulli fapere eafu obtigit'. Pecunia veniet ultro; honor afferetur, gratia ac dignitas fortasfe ingerentur tibi: virtus in te non incidet, ne levi quidem opera, aut parvo labore cognofcitur. Sed est tanti laborare, omnia bona femel occupaturo." Seneca ep. 76.

(a) ,, Immunis laboris —'—' palma animi est nota vilio-

ris." Avancird III. 38.

(b) ,, Pudet congredl cum homine vinei parato : ignomïniam judicat gladiator, cum inferiore componi, & feit eum fine gloria vinei, qui fine periculo vincitur." Seneca de provid. c. III.

(c) „ Turpeest cedere oneri: luctare cum officio, quod

femel recepifti. Non est vir fortis & ftrenuus, qui laborem fugit: verum ibi crefcit illi animus, iffo rerum difficultate." Seneca ep. 22.

(d) Ssneea epijl. 107. Seneca de prov. c. V,

(e) M. A. Weklaxd 1. e, II, d, bl. 116.

( X }