Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 260 )

dén Gemeen; en in welken tijd veele vermogende Ingezetenen , nuttige handwerkers , en het Land ondcrfteunende kooplieden genoodzaakt waren hunne bezittingen, handwerken en koophandel van hier naar elders te vervoeren , en daar door dit Land, waarop alle hunne betrekkingen, niet losgemaakt, maar afgeïheden wierden, van onnoemelijke fchatten onherftelbaar te beroven. —. In plaats dat deze vergiffenis algemeen zoude zijn geweest, om daar door de gemoederen derIngezetenen weder te vereenigen, en de gefchonden eendragt te herftellen , welke zo noodzaaklijk is, inzonderheid in een Land van koophandel, wierden daar van zo veele bijzondere perfoonen buiten gefloten, dat daar door weder op nieuw de wonde open gereten , en genoegzame reden gegeven wierd om een eeuwigduurende tweedracht onder de Ingezetenen te veroorzaken : dewijl er bijna geene geflachten in dit Land konden gevonden worden, of men ontdekte daar onder zodanige Bloedverwanten, welke onwaardig gekeurd waren eenige vergiffenis te ontvangen, even als of dezelve de fnoodfle en hemelter-

gendfle euveldaden hadden gepleegd. - Ea

in plaats dat deze uitzonderingen zo duidelijk en klaar zouden zijn geweest , dat er geen de minfte twijffel konde overig blijven, of iemand in de vergiffenis begrepen, of daarbuiten gefloten ware, en dat hij, die op ontegenfpreeklijke gronden van eene gezonde redeneerkunde vermeende daarin gefloten te zijn, geen gevaar konde lopen van eenige vervolgingen der fchijngerechtigheid, waren de uitdrukkingen deswe-

gcns

Sluiten