Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat de keuze der dicht-lhikjens, in dit bundeltjen voorkomende, betreft, zijt gij, zo wel, als ik, het met den voortred ijken van Alpiien eens, dat Liefde, Deugd en Godsdienst zich, zo wel in de Poëzij, als in de Natuur, verdraagen (*), en het is daarom, dat ik, onder mijne Godsdienftige gedichten en liederen, ook gezangen der Liefde, in mijne vroege jongelings-jaaren vervaardigd, hebbe ingevoegd en in de Liefde- en Huwelijks-dichten van laater tijd Godsdienftige gevoelens gemengd hebbe.

Gij, mijn Vriend! en andere verftandige Vrienden van den Godsdienst, zult dit eenen man van mijnen Hand niet onwaardig reekenen , daar onze Godsdienst noch de Ibigge eenzaamheid van den kluizenaar, noch clc doodfehe cel der non, noch de onttrekking aan de Godlijke natuur-wet in zijne bedicnaaren, vordert, noch ook zich alleen bij bidden, kezen en kerkgaan bepaalt; maar zijnen weldaadigen invloed over alle onze handelingen, in allcrleic betrekkingen en omftaudigheden, verfpreiden moet, en vooral dan ook, over de gewigtigfte zaak in het menfchclijk lecven, waar van, zo vaak, ons tijdelijk en eeuwig geluk afhangt, het Huwelijk.

Gij zijt het dus niet alleen daar in met mij ééns, dat deeze onderfcheidene gezangen en dicht-ftukjens,

(*) Zie Mengeling-en in Profe en Poëzij, pjg. 3. en yery.

* n

a

Sluiten