is toegevoegd aan uw favorieten.

De revolutionaire vraagal, of De zwaager van den politiken bliksem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 100 )

Jren varen van het kwaad, waarover zy morden ? Vergat men niet, dat de heillooze partyfchappen, waar dopr men in zyn eigen ingewanden wroetedc, de oogen van veelen verblindeden, zo dat men , in 't (hik van verkiezing, liever de heerschzugtige cn twistzieke Hoofden syner party wilde doen zegepraalen en op den troon zetten, dan naar eerlyke en verftandige Vertegenwoordigers omzien? — En, daar onderfcheiden partyen hun onderfcheiden Hoofden in het Bewind fmeeten, wat was er toen anders te verwagten in de Vergaderingen, dan beftendige verfchillen, krakkeelen, yerbitteringen, verdeeldheden, eii verwaarloozing of bederving van de algemeene zaaken? Bataaven! ik beroep my op uwe eigen ondervinding; maar moest, in dit ge-zal, uwe misnoegdheid piet, in de eerfte plaats, op u zelve losfeerften ?

Toen verfcheen de Dag van den twee- en twintigften January! 't Is waar, toen vond men misnoegden en "Welteyreedenen; maar hoe lang zyn de laatften weltevreeden gebfeeven? Hoe heeft men"niet gemord over de zogenaamde Zuiveraars of Agenten, uitgezonden tot verandering van Beftuurcn , Municipaliteiten , en ïuiyering der Grondvergaderingen? •—- Maar vergat •pien toen niet, dat dit de onvermydlyke gevolgen waren van de gebeurtenis op den 22 January? -— Die gebeurtenis was, — op zig zelve befehouwd, — indedaad

niet anders dan een noodzaaklyk kwaad, dat men

pleegen en daarftellen moest, wilde men niet tot een oneindig grooter kwaad vervallen! maar was de zuivering der beftuurcn en grondvergaderingen, uit hoofde van die gebeurtenis, niet een even zo noodzaaklyk jkwaad ? en kon men er wel zo ruimfchoots tc^en miir;mureereii, als men gedaan heeft, wanneer men begreepen had, dat de aanneeming der Canftitutie op den 23 April er uit gebooren moest worden ?

De Conftitutie werd aangenomen, en de Mannen van den 22 January vermeenden, -— zekerlyk ter goeder trouw, —— dat het werk verknoeid en bedurven zou worden, ingevallen zy zig zelve niet in het conftitutioaeel Wetgeevend Lichaam herfchiepen, — en ziet daar

den vierden Mey! Maar, groote God! welk een?

misnoegdheid; welk eene murmureering befpeurde men toen niet van alle kanten? Riep men toen niet, dat de Rechten en de Öppermagt de* Volks met voeten vertreejien, verkragt en gefchonden waren ? Hield men toen de goede zaak niet gansch en al voor verlooren, en