Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Het BOEK der DWAASHEID

welke cene verbazende Toverye; ende wat zal van dezen grooten worden/

'ii. Ende de geheele fchare ontzettede fich, ende haare herte was brandende in haar van verlangen, om de verfchyning van het groote Teeken te zien.

HET VIERDE CAPITTEL. i. Ende men zag het groote Teeken; ende het was gemgeït , door gevlogtene zeelen aan het houd des kruices, welke in het midden der hoogte was opgericht.

2. Doe Spraken de Priefteren der toverye, tot malkanderen, en de feiden: koomt laat ons opftaan, en de beproeving vervolgen; want ons herte fpringt op van Vreugde, over devoorfpoedige uitkomfte onzer befweeringen.

3. Ende fy namen de urtgedoriïe garven van de vrugfen des Lands, en de zy leiden decze op de yierkoolen.

4. En de Daar gingh een rook op, als de rook van eenen vlerigen oven,welken gedreeven wierd tot in den Buik des teekens.

5. Ende als zyre buik begon te I>e!len; Het zo en fag men dat hetzelve was faamengefteld, van getweerdlinnen;en door een yferenaeldetoebereid sa de konflige wyfe der vrouwen.

6. En<ïe

Sluiten