Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 34 )

tusfchen Vorsten g welken men plegtig heeft doen verzekeren, voor het gemeene welzyn te zullen waaken, zoo zelfs, dat zy by gebreke van dien van de titel en de regten des Oppergezags zouden vervallen wezen; en tusfchen de zoodanigen, aan welken het zelve zonder bedingende yoU

magt is opgedragen: dit onderfchcid

zeg ik, komt hier geheel niet te pas; want, op welk eene onderfcheidene wyze de Vorst met gezag bekleed worde, hy ontleent dezelve alleen van het Volk; en het Volk kan nimmer van éénig ilerveJing afhangen, dan uit kracht van deszelfs eigene toeflemming: in tegendeel, het blyft altoos in dezelfde onafhanglykhcid van den flaat der Natuur, in welken zoo wel de reden, als God zelf buiten alle tegcnfpraak aan hetzelve vryheid verleent , om tot zyne eigen behoudenis en vryheid , of ter beveiliging van eenen ander, tegen ieder vyand, wie hy ook zy, zyne magt te gebruiken.

•«"ittoT 5> Doch zal men mogelyk zeggen, dit ror'stzia a'ies '1S zeer g°e!1, wanneer het Volk den pieSeene Vorst verbonden heeft om zekere wetten

Sluiten