Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZOT.

53

jsiet lezen mag? dan, bij nader inzien begrepen wij duidelijk, dat ook dit bevel weder zoo als alle de anderen, die immer door zijn genade gegeven zijn, niets ander* buteerde dan de bevordering van het waare heil, en de uitbreiding der Vrijheid en grootheid van alle de Onderdaanen, in het algemeen, en in het bijzonder

die van onze aanzienelijke Broederfchap! Die

laatfte is zoo klaar, dat ik, voor het minst aan u,' mijn lieve Broeder! ten bewijze hier van niets anders dan de volgende, doodeenvouwige, aanmerking behoef te maken. Namelijk eeu zot zegt men, algemeen, is iemand, die niet veel weet, en die niet veel, van het geen regt bezien kan worden, doet. Nu dit ftaan wijtoe. Kunde moet men, voornam nlijk, door lezen verkrijgen, zoo ook juiste denkbeelden van onze verpligtingen, zoo praten, voor het minst, de zoogenaamde Wijzen. Nu goed, ook toegeftaan, wel dan zal ook de Conclufie gemaklijk op te maken zijn; nameniijk, dat'er niets zoo zeer, en zoo regelregt ter uitbreiding van onze broederfchap, lieve Broertje! itrekken kan, dan dit allergenadigst bevel van niette mogen lezen! — Datgijbewerkenkondet, dat'erookietsvan die natuur bij u te Lande plaats greep, dan waren wij gered, en dan zouden wij, door den tijd, met een' Koning aan het hoofd, nog de ge-

heele Waereld regeren! Nu, ik koom u zien;

zie maar dat gij voor dien tijd een Ambt voor mij krijgt. Eene zaak is mij onbegrijpelijk voorgekomen , dat gij, zulk een voornaam lid van onze broederfchap, 'er geen hebt! Ik hoop immers niet dat

wij bij u te Lande hier thands van uitgefloten zijn!

Neen, ik erinner mij uw Neef Kwastenburg! — vaarwel.

johann narrisch.

Broeder Johann heeft vergeten, om eenige plaats- of dagtekening onder zijn brief te voegen; zoo hij dit gedaan had, zou ik hem, met de omgaande post, geantwoord hebben, niet zoo zeer, om dat ik zoo heet op zijne correspondentie beu, in het geheel niet; ik weet niet waar het mij van daan komt, maar ik kan niet zeggen het heel groen op de Bovenlanders te hebben; maar alleen om hem zijne overkomst naar ons lieve Vaderland hartelijk af te raden, en te zorgen, dat hij mij niet op den hals koomt. Ik kan hetkleene ftukje brood, dat ik thands heb, heel wel op, al komen 'er geen Bovenlanders meer, om het mij te helpen kaauwen. En G 3 van

Sluiten