is toegevoegd aan uw favorieten.

De zot

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZOT.

183

Vrijheidfchreeuwers en Zoekers van nieuwigheden noemden, geen gebruik gemaakt van de middelen, die hun, door de , in de Hel geboren , Inquifitie waren aan de hand gegeven; hadden zij den moorddolk tegen dezelve niet gewet , zouden wij, mooglijk, nog het Spaanfche juk gedragen, en aan den leiband der domme monniken ■geloopen hebben. Had men, in later tijd, blij ven voortvaren, met hen, die, onder de Hervormden, eene andere Leer, dan die, welke men (ik weet niet om welke reden) wilde hebben dat geleerd zou worden, leerden, te vervolgen, te mishandelen en uitbannen, zouden zij, voorzeker, tot zulk eene meenigte aangegroeid hebben , dat zij het getal harer onderdrukkers oneindig verre zouden hebben overtroffen. Toen men hiermede verflaauwde werd de feéte minder, en toen men 'er geheel mede ophield, fmolt zij, langzamerhand, genoegzaam geheel weder, in den grooten hoop in. — Gelooft mij, heva Broeders ! tegen een gevoelen, "dat in het menfchelijk hart eenige wortels gefchoten heeft, is niet te oorlogen. Men kan, door geweld, onder fchijn van regt, de hoofden , de voornaamfte Leeraars , eener Staatkundige, of Godsdienftige nieuwigheid , bij welke de geheele meufchelijkheid meenf belang te hebben, wel opvangen, in den Kerker werpen , of, zo als in de tijden der barbaarschheid gefchiede , aan dat geweld opofferen, maar het gevoelen zelf lijdt hier niet door; het wordt 'erdoor verfterkt, en laat zich, bij de eerfte gelegenheid, ineen nieuw licht zien, om van de pogingen, die men gebruikt heeft om het te onderdrukken, wraak— geduchte wraak te nemen ! Men kan door moordtuigen , als overmagt of het krijgsgeluk ons de hand biedt,hetonfchuldigbloei wel doen ftroomen ; men kan een volk hierdoor, wel uit zijn erf - uit zijn land verdrijven , maar men kan een gevoelen, door het kanon , door den banjonet, het hart niet ruimen doen; vooral niet, als het voin zelf, ter verdediging van dit gevoelen, en niet ter bekoming van den fchralen krijgsmans loon, het geweer opvat en zich door naijver ontvonkt, tegen de pogingen, die men ter uitrooiiing van zulke gevoelens mogt te werk Hellen, verzet.

Alle de Vorsten , de grootfte en magtigfte zelfs, die immer beftonden, en dit ondernomen hebben, zijn van de waarheid van deze aanmerking, fchoon zij Hechts uit de pen van een Zot vloeit, niet zelden, tot hunner befcherming en te leurttelling, overtuigd geworden; — en

zij,