Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3H

DE ZOT.

papiertje in het binnebeursje van mijn broek bewaard heb, gedurende al dien tijd, geen goud, of gouds gelijken, in mijn huis gezien heb; en, om u de waarheid te zeggen, dit ooilam heb ik, dezer dagen, nu dit zal mij niemand misprijzen , ten diende van het Vaderland ook gedacht; terwijl ik mij, bij het hooren van den hoogen prijs der ducaten verheugde, daar ik nu van mijn armoedje nog meer gegeven had, als ik op dien tijd zelf wist. Intusfchen zal het u nu niet meer raadzelachtig voorkomen, als ik zeg: dat de goudöpkooper, tot dit einde, bij niemand flegter dan bij mij kon geaddresfeerd wezen; echter had ik veel moeite, om den goeden Jood, die in het ftuk van negotie niet ligt loslaten, te beduiden, dac 'er bij mij niets te vangen was. Hij wilde meer weten dan ik zelf, en hield ftout ftaande, dat ik, hier of daar, nog wel een kneubeursje goud had zitten. Och dat de mande waarheid gefproken had!!! -— Toen ik hem, mee alle mijne verzekeringen wegens hec tegenövergeftelde niet weg kon krijgen, begon ik uit een ander vat te tappen en zeide hem, dat ik meende, dat 'er van ouds eene Publicatie in de waereld was, bij welke het hooger «>f lager uitgeven van eenig geld, en onder dit, meen ik, dat de rijder,s behooren , verboden werd, en dat hij door hierin negotie te doen, fomtijds gevaar zou loopen, om in de handen van den Hoofd-officier te vallen Nu had gij den Israëliter eens'een gat in de luchc hebben moeten zien (laan! Hij zeide, dat ik 'er niets van wist, en dat hij, wanneer dit waar was, daaglijksch van en voor Groo« te lui, zoo veel rijders niet op zou wisfelen, vooral niet in den Haag, daar men zeer wel wist wat men doen en laten moest; dat, behalven dat de negotie vrij moest wezen; dat «lk, al wat hij wilde, en zoo goed- en duurkoop, als hij bedingen kon, koopen en verkoopen mogt, dat anders de Joden ongelukkige fchepfels waren , die niets zouden Jtunnen verdienen. Dat het hem vrij moest ftaan, alles te verkoopen, al wilde hij zich zelf verkoopen; dat 'er voorheen wel voorbeelden geweest waren van menfchen, die zich aan den duivel verkoften; dat men zich nog daaglijksch aan de fnijkamer te koop kon prefenteren, dat men nog zwaren handel in menfchen deed, dat het, al zagen zij zwart, toch ook menfchen waren; dat de? Koningen en Vorsten hunne Onderdaanen en Burgers, na dat zij'er eersc Soldaten van gemaakt hadden, wel aan elkander verhuurden, verkoften en overdeden, en waaroni ,ySij dan geen rijders zou mogen koopen en verkoopen,

OU*

Sluiten