Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 17 )-

zulks eenigermaate bij het ligchaam plaastheeft, wan. neer de trek tot voedzel allengskens heeft opgehouden.

Gelijk men in ligchaamlijke krankheden van eene crifis weet , waarin de goede natuur zich wederom herftelt, en haare overige krachten herneemt ; zoo is het ook zeker, dat 'er zoortgelijk iets in de zedenlijke krankheden der ziele moet plaats hebben , offchoon men, bij gebrek van aandacht op dit Jluk, zulk eene crifis nog niet hebbe opgemerkt.

Laat ik hier dit alleen nog bijvoegen, dat men, in de beoefenende Godgeleerdheid der Dweepers en Mijftieken, op iets van dezen aard acht fchijnt geflagen te hebben. 'Er moet naamlijk, volgends de denken fpreekwijze van die menfchen, eene zoogenoemde doorbreking plaats hebben. Deze fchijnt mij toe, ineenige opzichten, afgezonderd van de omkleedzelen des bijgeloofs en der verbeelding , niet ongelijk te zijn aan die crifis, welke ik denk, dat in de genezing der zedenlijke zielkrankheden altijd gevonden wordt.

Over het geheel genomen, houde ik het daarvoor, dat de zoogenoemde Fijnen, in wederwil der ellendige richting hunner verbeelding, nog meer aandacht gevestigd hebben op de zedenlijke geneeskunde der ziele, dan andere menfchen, die helder van verftand zijn. Ik verbeelde mij zelfs, dat men uit hunne mijflieke taaien fpreekwijzen voordeel zoude kunnen trekken, in het doen van gewigtige waarnemingen, ten aanzien van dit gedeelte der menfehenkennis. Hoe zeer ware het te wenfehen, dat verftandige inenfehenkenners en menfehenvrienden zich in dit vak begonnen bezig te

jir.b.i.s. £ h0ll.

Sluiten