Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-( 513 )-

De verwondering was den Kinderen uit de oogen te lezen, en Kar el zeide, terwijl hij op zijnen ftoel ging zitten, tegen Christiaan: ,, ziet gij nu wel, nu bidden wij ook!" Karei luisterde dit Christiaan wel in 't oof, maar, zo als Kinderen doorgaands doen, hard genoeg, om door allen, die in de kamer waren, gehoord te kunnen worden. De Vader was 'er niet weinig over verwonderd; doch de Gouverneur liet zich tot een gefprek met Karel in. „ Lieve Ka rel!" vroeg hij, „ hoe weet gij, dat dit bidden is?"

K. Christiaan heeft het mij gezegd, dat zij te huis altemaal bidden, als wij 'er niet zijn, zowel wanneer zij aan tafel gaan, als wanneer zij wéder opftaan."

E. „ Baden zij dan niet, als gij en uwe lieve Ouders 'er tegenwoordig waart?" K. „ Neen !"

E, ,, En bidt gij hier in huis ook niet?" K. ,, Neen !"

E. „ Wat dacht gij dan wel , als uw Oom zijne Kinderen liet bidden , en uw Vader niet?"

K. ,, Ik dacht — — ik — dat het onnoodig ware."

E. ,, Gij hebt hier omtrend niet goed gedacht. Gij vraagt immers anders zo gaarn ; waarom hebt gij nu ook niet liever uwen Vader hiernaar gevraagd ?"

K. „ De Kindermeid heeft het mij verboden !" „ De Kindermeid!" riep de Heer S. hier op eenen misnoegden toon uit.

El 5 K.

Sluiten