is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdragen tot het menschelijk geluk.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 7o )-

muis U kan doen fchrikken ? of denkt Gij mogelijk, dat een houtwormpje ons beluifteren , en uwewonderbaarlijke geheimen verpraaten zal ?

W i l l e PI.

Mijn lieve Adolph! Gij hebt mij nooit minder voor dezen fchertzenden toon geftemd , nimmer zo weinig in ftaat bevonden, om dien te beandwoorden. Dan tot de zaak. - (Hij ziet 0? op zijn ioreJegie.^ Want de tijd loopt reeds ongemerkt heên. Kunt Gij U mijne Louise Belg er nog wel herinneren? Adolph.

Welligt beter, dan Gij, Snoodaard! die haar verlaten kondt, nadat Gij ze, langen tijd, bijna op de handen gedragen hadt. Doch zoo zijt Gij , fentimenteek Heeren ! doorgaands gewoon te doen. Eerst bidt Gij uwe Meisjes aan, als of het Godinnen waren, en wanneer Gij haar uwen wierook nu genoeg toegezwaaid hebt, ftopt Gij deze geliefde Afgoden ergens in een hoek, of houwt ze in ftukken en verbrandt ze, om bij derzelver vlam aan'anderen te offeren.

Willem.

Dit is waar, Broeder ! ik verdien zulk een verwijt; en heb zelfs nog veel fterker verwijtingen verdiend. Verlaten heb ik haar, zegt Gij . . . Ach!... had het Cod behaagd, dat het dit alleen ware!... Neen: — neen, befchouw mij als haaren moordenaar !

Adolph. (verfihrikt.) Haaren moordenaar! „ . , Wat duivel, ik wil hoo-

J»en, dat Gij fiechts figuurlijk fpreekr.

Neem