Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 5ii )-

eenen verachtlijken opftooker; dat hij, indien toeftand, volftrekt zoo, en niet anders, handelen kon, en dat hij dus veeleer , ons medelijden en terechtbrenging, dan onzen haat, verdient. Door deze ontdekking verliest de beleediging terftond haare flechtfte zijde , het oogmerk, naamlijk, om ons te krenken, en wordt tot het uitwerkzel eener blinde drift verzacht, waaraan het verftand, en dikwijls ook het hart, geen deel had , en juist daardoor , dat onze vijand zijne haatlijkheid i;i onze oogen verliest, wordt het gevoel zijner beleediging in ons zwakker, en zijn wij in ftaat , voor de herftelling onzer gemoedsrust te zorgen , en ons geneigd te maaken tot eene verzoening, wier weldaadige gevolgen alleen door hem gering geacht kunnen worden , die dezelven nooit ondervond.

Befchaamd over onze toegevendheid, of verward door de gelatenheid, waarmede wij zijne krenking verdragen , tracht de beleediger naar onze vriendfchap , of geraakt hij , ten minften, zoo ligt niet weder in verzoeking , om ons verder te krenken, wijl hem de hoop, om ons onze gemoedsrust te ontrooven, ontnomen is. De betuigingen, dat wij zijne beleediging niet verdienden ; dat wij zijne overijling beklaagen; dat wij zijne vriendfchap niet gaarn misten; dat wij de goede eensgezindheid onder ons weder bevestigd wilden hebben, zijn vuurige kooien op zijn hoofd, de aangenaamfte wraak , welke wij ons zeiven verfchaffen kunnen. Hoe aangenaam moet het niet voor den welgezinden zijn , zijnen vijand, door zulk eene toegeveadheid, te ontwaape-

nen,

Sluiten