Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderwijs der Taalen. 235

rle moedertaal doen , waarom dan oolc niet in eene vreemde, die men, even ah deze, door herhaalde, en beftendige, oefening geleerd heeft.

Het conftrueeren, analijfeeren enz. is reeds onnut, als men in het Nederduitsch laat overzetten, en hoeveel te meer, dan, als men, bij het Latijn leeren het Nederduitsch volftrekt niet, of alleen in den aanvang, en, flechts in den hoogden nood, te hulp neemt. Het condrueeren is eene zoort van blindemansfpel. De aankomeling in het latijn moet in eene , althands voor hem , ingewikkelde periode, den vocativus, dan de conjunctie, dan den nominativus , het zij hij 'er is , of in het werkwoord lteekt, dan het verbum, dan den cafus van hetzelve enz. zoeken. Hij kiest in den blinde, uit deze hem geheel onbekende perfoonaadien, grijpt, nu eens deze, dan -gene, en, als hij eene neemt, is het gemeenlijk de verkeerde. Hij moet een vocativus zoeken, of toezien, of 'er een zij. Ongelukkig ziet 'er de vocat. uit als de nominat. of, zo hij hiernaar niet gelijkt, zoo ziet hij 'er uit, als een imperativus van de tweede of derde conjugatie , of heeft nog andere gedaanten; bij voorbeeld de nom. menfa ziet 'er uit , als de imperat. ama. De accufativus fruclus gelijkt ook den nominat, in het meervoud. Zoo is het met comu, met de conjun&io, en prapofitio cum; Ieges, wetten , en leges, gij zult lezen; reges Koningen , en reges, gij zult regeeren. Dat drommelfche dumtaxat, zoo armzalig een adverbium het ook is, heeft nu juist, om den blinden geheel te venvar[R] 3 ren,

Sluiten