Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Afd. Natuurïyke Rechtsgeleerdheid. 33

fchap beftaat, ftirk voor {tuk te fpreken, merken wy vooreerjl aan, dat zy, die zig in deze loopbaan begeven, zig daarop moeten toeleggen, om ware levensregelen voorteftellen. Ware levensregelen zyn alleen zulke, van welken men klaarblykelyk weten kan, dat zy met de natuur , en gevolgelyk met 's menfehen geluk, (§.42 Ooverè'enftemmen. Dusmoetmeh uitmonftcren, niet alle die, welke men flechts met groote moeite kan nakomen, maar die, welke men volftrckt niet kan nakomen, of die vermaken zouden geven, welke men voor gr 00ter fmerten koopen moet, of die fmerten zouden baren, zonder eenige Waarfchynlyke hoop, dat men immer door dezelven een grooter vermaak zal verwerven. (§. 61.)

By voörbeeld , zo wel eene zedeleer, die te ruim, [toegevend, en flap,] als die droevig, ftraf en hoven maten gejlreng is , leert ons valfche regelen. De eerfte {preekt niet van die plichten, welke den mensch een tegenwoordig vermaak ontzeggen : en, zig te vrede ftellende inef uitwendige voordeden, verzwygt zy de edelfte beweegredenen om wel te handelen. (§. 197.) De laatjïe, terwyl zy weigert het geen men: hem, zonder zyn geluk te benadeelen toefhan kan, ontvlamt in hem eene zucht om altyd treurig te zyn, en vermindert, ja vernietigt byna den trek tot vrolykheid, even als of het genot van een genoeglyk leven hopeloos ware, en 'er voor den mensch niets overfchoot, dan zig tegen hét bitter gevoelde,, fmert te wapenen door de geduurzaamheid der fmert zelve, en door eene aangenomene £gemaak te] hardvogtigheid. Eene zedeleer van dien aar" II. Deel C maakt c

Sluiten