is toegevoegd aan uw favorieten.

De gronden der natuurlyke rechtsgeleerdheid.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gg Gronden der II. Deel,"

waarnaar zy Maan, en dat zy noodig hebben. Zo ïToet geen vrouw gebruik maken van de voorrechten , die de wethaar fchenkt, noch een minderjarige , nu tot zyne jaren gekomen , zig bedienen van de uitvlucht van minderjarigheid, tegen zynen fchuldëifcher, dien hy, om dat hy van een'anderen fchuldenaar, van wienhy een gelyke fomme te vorderen had , geene betaaling kan erlangen, in ongelegenheid ziet gebragt, en [daarom] met zyne middelen daar uit moeit redden. Zn ook, wanneer twee perfoonen naar het zelfde ambt dingen, alleen om het voordeel dat het geeft, en zy beiden daar toe even bekwaam zyn, maar de één is ryk, de andere niet, de één van eene onaanzienelyke , de andere van eene aanzienelyke geboorte, beiden ongehuwd, doch zo dat de één weinig verplichting heeft aan zyn gedacht, de ander in tegendeel zeer veel aan zyne familie , die uitgeftrekt en niet ryk is, verplicht is; dan handelt de eerfte billyk, wanneer hy den tweeden , vrywülig, uit den weg gaat. [van zyne follicitatie afziet.]

§. CCLXXVI. De billykheid heeft trappen, de uitwendige rechtvaardigheid heeft 'er geene. Hoe grooter het nadeel is, 't welk anderen, door 'het gebruik maken van uw recht treffen zal; hoe talryker zy zvn, die daar door benadeeld zullen worden; hoe duidelyker gy dat gevolg voorzien kunt; hoe ligter en kortftondip-erhet gevoel vandefchade is, die gy, door he't niet ftaan op uw recht, lyden zult; hoe klaarder begrip gy van de geringheid van die fchade kunt vormen: des tebillyker is het verzoek,