Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0-3O Van de Modi.

1) Wanneer er van een zaak, als alleen bloot mooglyk te

wenfchen, of toe te ftaan, gefproken word, alwaar wy zeer dikwils mogt, mag, zoude enz. pleegen te gebruiken, B. v. fi quis quaerat, vraagen mogt, zoude: quamquamvix eredam: quamvis non negaverim: etiamfi quis dicat zeggen mogt, zoude. Veniam ante, quam tu mei plane oblivifcare: num hoe credibile fit? mogt dit enz. ubifueris? waar moogt gy wel geweest zyn? Ouis hoe credat? quis crederet? cet.

fc) Wanneer een ConiunSivus in denzelfden volzin (PeriodeN, naast voorgegaan is, en deParticula benevens haar Verbum daar betrekking op heeft, gelyk: rogo te, ut librum, fi habeas, mihi des: aequum efl, ut mortem cogitemuf, cum (quando) fani fimus als wy enz.: Rex imperavit", ut, quae bello opus effent, pararentur: Cic. a Scaevola petiiffe , ut, dum tu abeffst, provinciae praeejfet. Doch men vind ook den Indicativus, als de zaak regt bepaald dient uitgedrukt te worden, gelyk Cic. ad Div. II, 4. ut neque ea, quae nunc fentio, velim fcribere.

3) Wanneer een zogenoemde Accufativus van het Subjeü met den Infinitivus voorgegaan is, en deParticula daar betrekking op heeft: B. v. fcio, te, fi quid fcias, id reticere folere: decet fapienlen ita vivere, ut loquatur: credo, patrem , quia non fcripferit, mox reverfurum : Cic. fcito , plures effe, 'qui de tributis recufent. Doch men vind ook den Indicativus, wanneer de zaak, als regt zeker befchreven word, gelyk Cic. ad Div. II, 4. fi hoe fiatueris, qui'nis artibus eae laud.es comparantur, in iis effe laborandum.

III. De Imperativus of Iv.fjlvus flaat, wanneer men verzoekt, beveelt, vermaant.

Not. a) Hierby ftaat niet non, maar daar voor ne, gelyk nefcribe, fchryf niet: b) de tweede perfoons-uitgang van het Futurum moet juist niet vertaald worden, gy zult, gylieden zult, B. v.fcribito gy zult fchryven, maar ook Ichryf; dus ook ito, fcito cet.

IV. De Infinitivus ftaat op veeierhande wyzen: A) Ais een Subj-ci, gelyk errare humanum eft: dulce et

decorum eft. propatria mo i. Zie hier van by den Nominativus Afd. IV. p. 146.

BJ) Agter eenige Veria zonder den Accufativus des Subucls; en word dus van dezelve geregeerd. Dergelyke Verba zyn villen, moeten, leftuilen, pleegen enz. gelyk:

Sluiten