is toegevoegd aan uw favorieten.

Vier verhandelingen. Over eenige gedeelten van de Nederduitsche taale.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2i8 VIERDE

Ik vang, ik ving, gevangen.

Ik verhef, ik verhief, verheven. Verhef? fen. Zie ook hier heffen, en ontheffen.

Ik zvasch, ik zviesch, gezvasfchen. Wasfchen, fchoonmaaken.

Ik zvas, ik wies, gewasfen. Wasfen, groeien. Zie was fchen, iets met wasch beftrijken, onder de Tweede Soort der Gelijkvloeiende.

Ik weet, ik wist, geweeten. Weeten, kennen. Zie Wijten, iemand de fchuld van iets geeven, onder de Tweede Soort.

Ik. word, ik werd, geworden. III. Ik zie. Zie hierachter, onder de Naleezing.

Hierbij gelieve men nog op te merken, dat eenige Werkwoorden, alleenlijk tot dit vak behoorende, geen verandering in het Lijdende Deelwoord ondergaan, laat ik mij klaarder uitdrukken, dat het Lijdende Deelwoord met de Onbepaalde Wijze, niet alleenlijk in den Wortelklinker, maar ook in de geheele fpellinge, met haar gelijk is.