Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over KOLOSSENSEN III: 18, 19. 33

echt wel met God zoeken te beginnen ? Of bijaldien wij ten tijde onzer verëeniging, nog onbekeerd waren, hebben wij naderhand waarachtige ontdekking aan ons zeiven , kennis van God en Christus , en liefde tot den weg naar den hemel gekreegen? — Zoeken wij onzen echt wel christelijk, dat is tot eer van God, en bevordering van elkanders welzijn te bekeven ? Bidden wij wel voor en met eikanderen ? Trekken wij heen en weder, in de zaak van den Godsdienst, ééne lijn? Zoeken wij wel clkanderen door woord en wandel nuttig te zijn? — Eindelijk, zoeken wij wel, in lief en leed , famen eikanderen den Heere voortedraagen ? Eindigen wij met al het genoegelijkfte wel in God, immers trachten wij dat te doen? O mijne vrienden! beziet deze dingen; want waarlijk, hoe aangenaam ook uw echt moge zijn, als er dit alles aan ontbreekt, dan is het geen christelijk , maar ten hoogften een befchaafd zedig huwelijk. En welk een treurig uiteinde zou het niet zijn, wanneer gij eikanderen in eene doodlijke gerustheid in fiaap gewiegd hadt, en naar eene onherroepelijke eeuwigheid beiden onbekeerd heenen gingt? Welke wroegingen zou het niet geeven, als een van beiden eens bekeerd wierd, en zijn echtgenoot onbekeerd zag heenen gaan ? Ach, dat God het u op het hart drukke, en door zijnen Geest wezenlijk voordeel uit deze herinnering doe wegdraagen!

B. Geloovig volk! mij dunkt gij zit met befchaamde aangezichten; gij zegt in uw harten : O wat ben ik een flecht man en vader van mijn huis! Wat ben ik eene onwaardige vrouw! Wat ontbreekt er niet aan , om onzen echt recht

chris-

Sluiten