Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïia Verklaring van het

Art.IV. ringe bepaald hebbende: voegen Hun H.Mogd* er bij: „ Dat de Staten uit beide Leden 'een Collegie van Gedeputeerden zullen oprichten, ,, op eene Inftructie, bij hun zelve te maken, „ mits het plaats hebbend Collegie, op haare „ Inftructie zoude continueren, tot dat de Staj, ten der Provincie zulks anders bepaalden." Hier bij wierde dan in cas van Redu&ie, de Sententie van den 17 Febr. 1595, zo verre veranderd; en wederom aan de Staten overgelaten , om zelve een Collegie op te rigten, of verandering te maken, in eene Inftructie, welke H. H. Mogde aan het zelve den 17 Febr. 1595 hadden doen geven (a): blijvende die Uitfpraak, ingevolge de refolutie van H. H. M. v. d. 10 Maij 1595. omtrent de onveranderde punéten in kragt en waarde. —— Het zal der moeite waardig zijn, dat ik, tot verftand van zaken, hier nog een ogenblik vertoeve, en deze twee vragen beantwoorde.

Ten

(a) Ik kan niet voorbij aan te tekenen, dat men bij dezen de reden ontwikkeld ziet, waarom het Praefidium bij de Gedeputeerden wekelijks Leedswijze verwiiield, hoe zeer de Stadt het recht van voorzitten erlangde. Deze afvviiïeling was immers bij het Vonnis van den 17 Febr. 1595». bepaald, en hoe zeer de Stadt het recht van voorzitten erlangde, verkregen de Ommelanden bij dit definitief Vonnis v. d. 21 Januari 1597. art. 6. het recht, om in de Inftructie van den 17 Febr. 159^ geen verandering te gedogen, als met hare toeftemming.

Sluiten