Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tractaat van R e n üc t t e. 119

hare Gedeputeerde, de Heef Alting, in het Art. IV«

posfes geiteid » niet om de eerfte reis , maar telken feife op de tourbeürte, ter Vergadering van II. H. Mog. te prefidecren, maar H. H. M. hadden , op voordragt der Ommelanden , verflaan , dat de voorzitting, geduurendc het Geding, zonder iemands prejuditic bij beurten zoude rondgaan, en Waar op de Heer Alting „ de Vergadering verliet. ——* Dit waren de omltandighedcn, zoeven aangetekend, in welke de aangeftelde Richters de zaak vonden, en der Stads eisfehen overwegen moesten, van in het posfes te zijn tot de voorzitting boven dé Ommelanden. Het zal niet nodig zijn in dezen open te leggen welke gronden, voor, of tegen dat gevoelen konden bijgebragt worden: te meer daar dezelve in de gefchiedenis van het Land, door'ons ontwikkeld, liggen opgefloten.

De gefielde Richters bepaalden dan bij het 15 Art. van hun Vonnis v. d. 21 Januari 1597. Dat zij ten posfesfoir de Stadt bevestigden in het voorfchryven, voorfegelen, voor fitten , ende voorftemmen, ende dat fy neffens die van de Omlanden zoude hebben een eenparige ftemme. De Heren van Stadswege ter Vergadering van H. H. M. tegenswoordig, aanvaarden daarop ook telken reife het Prefidium, zonder daar in weder geftoord te worden.

i a Maar

Sluiten