is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen over Jesaia LIII, LIV, en LV.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

?3 EENENTWINTIGSTE LEERREDE.

Adams kinderen , past deze berispende vermaning in 'ï gemeen op alle menfchen van natuure, 't zij Joden, 't zij Heidenen.

b. Althands men zag dit in de Heidenen, in die allen, tot den tijd toe op welken deze Godfpraak ziet. Elk zogt, op zijne wijze, naar het hoogde goed; maar hoe ellendig en verfchillend waren hunne begrippen van hetzelve, en hoe jammerlijk de middelen die zij ter verkrijging daar van iniloegen ! De een zogt het in de wellust, een ander in gelatenheid, een ander in de eer/ de magt, of de gezondheid, en wat dies meer is; tot zoo verre, dat Augustinus alle de verfchillende hoofdbegrippen, en de fmaldeelen derzelver, onderfcheiden optellende, omtrend driehonderd verfcheiden gevoelens der Heidenfche wijzen opgeeft —. Wat wogen zij niet al geld uit, zelfs in eenen eigenlijken zin, en wat arbeid befteedden zij niet al, aan de kostbare plegtigheden hunner gewaande Goden en Godsdienften! Men ontzag geen moejte in de beoefening hunner zoogenaamde wijsheid \ men reisde tot afgelegen en beroemde volken; men fpeurde de gevoelens hunner wijzen op; men ontleende met veel ijver van dezelve hunne gevoelens en grondftellingen , of fmeedde niewe t'zamenftelfels. Dit verwekte verfcheidene en onderling zeer verfchillende fcholen en fecten va» Wijsgeeren, van welke ieder zijne gevoelens met

op-