Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. j

En een zoetverdoovend gevoel van 't eeuwige leven.

Maar ontzind, voor vertwijfling alleen nog aandoenlijk, onmagtig

Om iets tegen God te bedenken, ontftortten in d'afgrond

Hunnen troonen de geesten der hel. Met dat ieder daarheen zonk.

Stortte op ieder een rots, brak onder ieder de diepte

Stormende in, en dondrend weergalmde de onderfte helle.

Jezus ftond nog voor God; en het lijden zijner verlosfing Nam nu een' aanvang. Gabriël lag van verre op zijn aanzigt Diepaanbiddend, van nieuwe gedachten geweldig verheven. Shts all' de eeuwen, die deeze doorleefde, zo lang, als de ziel zich De eeuwigheid voorftelt, wenze op vleugels van fnelle gedachten 't Lichaam ontvliegt, fints alle die eeuwen had hij nog nimmer Zulke verheven gedachten ondervonden. De Godheid, Haare verzoenden, de eeuwige liefde des godlijken Midlaars, Alles ontdekt zich aan hem. God vormde deeze gedachten In den geest van den Seraf. De Eeuwige merkte zich thands aan, Als den Ontfermer van zijne gefchaopnen. De Seraf verhief zich, Stond al verbaasd, en bad, en onuitfpreeklijke vreugden Sidderden door zijn hart, en licht en verblindende glinstring Ging van hem uit. En de aarde vervloeide in hemelfchen luister Onder hem heenen, zo dacht hij. De godlijke Middelaar zag hem, Daar hij de kruin van 't geheele gebergte met klaarheid vervulde.

Gabriël, riep hij, verberg uw gedaante, gij dient mij op de aarde!' Maak u gereed, dit gebed voor mijnen Vader te brengen, Dat de uitneemendften onder de menfchen, de zalige vaders, Dat de verzaarrelde hemel der tijden volheid verneeme, Waar hij met ieder ontfteeken .verlangen naar uitzag. Licht .daar

Sluiten