Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BRAADPAN. 13

Zij was bclcezen in Hiftorien, en fchriftcn,

Zij wist ze zelfs met keur te fchiften;

En van de grollen uit te ziften. —

Dat is, zij las met fmaak en oordeel;

Dit gaf haar, bij haar fchoon veel voordcel.

Zoo zij nu leefde: 'k wed ze ook wel Mcdailjes won,

Vermits zij geeflig Dichten kon:

Ten miriften rijmen, na de hedendaagfche mode,

Want Dichtereffen, hebben thans niet meer van node,

Een Vitters baas volmaakt het dicht in dit geval.

Zij dagt wel: zoo als, thans het woord is; overal.

Men zou in deeze tijd , haar in den rang wel ftellen,

Van de Lannoij en Moens en Kaatje Mirabelle,

Van Merken, Betje Wolf, met Deeken haar vrindin,

En al de Nimphjes van Pamasfus huisgezin,

Dan denklijk zou men haar dog nu geen Lauwren fchenken,

Om dat zij mogelijk na de oude wijs zou denken :

'tWas dus geen wonder, dat zij in die nu voorleden daagen,

AanÜENKwEL,die de naamGoed rond goedZeeuws, mogt draagen.

Dus met der daad, ook moest behaagen;

Zoo dat daar Denkwel om Wet denken Denkwel hiet,

De heusheid; die mij ook haar eigen naam verbied;

Die

Sluiten