Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. 17

intusfchen zwicht de rust alom voor de oorlogstrommen;

Haar dommelende galm, die langs de grenzen rolt; Blijft plegtig d'inhoud ftaag van Utrechts Unie brommen,

Daar 't bloed van eiken held tot nieuwe zegels ftolt. 't Kon geen Toledo, 't kon geen Requese ns gelukken,

De Vrijheid, worstlcnd in der braaven martel-bloed, Op nieuw in 't knellend juk van trotfchen Flip te drukken;

Farnese fpilt vergeefsch zijn krijgszucht, list en moed. Vergeefsch moog' Al bert om den fchoonen bruidfchat ftrijden, -

Zijn Isabelle wordt nooit, als Gravin, gehuld; Neen, Neerland durfde zich den God der Vrijheid wijden,

Wiens vaderlijk gezag geen dwang, geen keten duldt. De ftaatsleeuw hadt zijn' hals voor eeuwig 't juk ontwrongen,

In 't eind door 't wreed geweld der dvvinglandij ontwaakt; De naam van Vrijheid zweeft op duizend, duizend tongen,

Daar ze in 't grootmoedig hart het vuur der Godheid blaakt. Ja, eerfte Willem! die de kluifters hielp verbreken,

(Een heilige eerbied roert nog mijn ontvonkte ziel, Hoe zal de erkentnis in verengelde oogen fpreken,

Als ik met U op 't graf des laatften tijdftips kniel.) Gij zaagt, doorluchte vriend van vrije heldenfchaaren!

* Gij

Sluiten