is toegevoegd aan uw favorieten.

Johan van Oldenbarneveld.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïS6 JOHAN van OLDENBARNEVELD.

Men ftemt in 't grootsch befluit, tot fchrik der muitelingen,

Om, door de burgren zelf van elk ontroerde ftad, Gewapend voor hun recht 't onzinnig graauw te dwingen;

Och Neêrland dat m' u nooit dien fteun ontwrongen hadtJ De vreemde krijgsknegt ftrijdt om zich door loon te vccden;

Lacht de eigenbaat hem aan, hij moordt, vvien hij bewaakt, De Vaderlander ftrijdt om gade en kroost te hoeden,

Daar liefde, daar natuur in eiken oogwenk blaakt. Nu fcheen den Staat befchermt, door vrije burgerê'eden,

Bekragtigd door 't geweer, dat in hun vuisten blonk; Waardgclders ftaafden 't recht der burgcroverheden,

Schoon muitzuchts raauwen kreet door Kerkgewelven klonk, 'k Zie Holland"s fteden nu door eigen magt verdedigd,

De rust van 't algemeen door eigen trouw bewaakt; Dan trotfche Heerschzucht waant haar wetloos recht beledigd,

Daar zij der burgren magt en waapning woedend wraakt. Men fchetst Prins Maurits, hoe zijn eer thands wordt gefchonden,

Nu zweert hij vrij zijn haat aan braaven Ba&neveld; Al de Ecdlen, door belang op 't naauwst aan hem verbonden,

Verzegelen den wrok, die niets dan]ramp voorfpelt.

Hier