Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34° JOHAN van OLDENBARNEVELD.

Nog dankt hij Frankens trouw - groet al de aanfchouwers teder;

Zijn beevende ouderdom pronkt met verjongde kragt. IV al e vs knielt met hem voor God al dankend neder,

Hij roemt de zaligheid, die op mijn' Christen wacht. Hij fm.ckt, dat God zijn liefde in 't Iaatfte ftip doe blijken,

Dat ftip — waar fterflijkheid aan "t nooit begonnen huwt, Pat ftip — waar in dc geest elk zintuig ziet bezwijken —

Zijn Godlijkc afkomst voelt - en grootsch de ontbinding fchuwt: Hij fmcekt - dat bij den fchok, die 't aanzijn doe ontroeren,

Wanneer de band ontfpringt, die geest en ftof vercent, Dat bij dien fchok Gods min zijn' vriend door 't doodsdal voeren

En zacht omhelzen zal, d;iar - wrfaf geen oog meer weent, Zo leidt de Godstolk hem tot de allerverfte grenzen

Der zigtbrc wereld, waar hij thands zijn' vriend vertrouwt A.u; 't zorgend cnglenkoor; terwijl gevlerkte wenfehen

Reeds "t heil omhelzen, dat 't nog fcheemrend oog aanfchouvvt, Al "t volk verfmoort de ftem des leeraars door zijn fclireien.

De geest mijns Christens, die op reine vleuglen hangt, Zweeft juichend voord, en volgt het lied der hemelreien,

Pat 'saaidlings fmeckgebeen met dankbro vreugd vervangt,

Dc

Sluiten