Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84 De Weder gevonden

roovers waren reeds te ver in zee geftoken, om mijn jamxnergefchrei te kunnen verftaan, en mijn Zoon, mijn dier-

baare kleine Zoon! deeze ligt hier aan uwen

boezem ! riep de jonge Engelander uit, terwijl hij zich, met eene tederhartige gewaarwordinge , en verbaazende aandoeninge des gemoeds, in de armen van den Grijsaart wierp. Lang bleeven zij eikanderen fpraakloos omarmen, tot dat eindelijk hunne geweldige gemoedsbeweegingen in een vloed van vreugdetraanen begonden uit te barsten. Het vaderlijk hart voorkwam alle andere bewijzen , en overtuigde den gelukkigen ouden man, dat het geen gochel= fpel, maar wezenlijk zijn geliefde verlooren Zoon was, dien hij in zijne armen hield.

Na dat zij nu beide het vermogen van weder te fpreeken bekomen hadden, verhaalde de Jongeling, dat hij zijne geweldige ontrooving, benevens de omftandigheden, dat hij bloemen gezogt had, toen men hem wegroofde, zich altoos levendig had weeten te herinneren, en in zijn geheugen gebleeven waren, doch dat hij zich echter den naam zijns Vaders noch zijne geboorteplaats, of het land, waar in hij als een kind geleefd had, nooit weder had kunnen

herinneren. De Zeeroovers hadden hem toenmaals

naar Amerika gebragt, en hem aan een Spaanfchen Slavenhandelaar verkogt. Van deezen was hij weder verhandeld aan een Engelsch Koopman, die hem wel dra, als zijnen eigenen Zoon beminde , hem mede naar Engeland overbragt, en bij gebrek van eigene kinderen, tot erfgenaam van zijn vermogen gemaakt had. En deeze zijn weldoender was thans, om redenen van den koophandel, met hem hier naar toe gereisd.' De verhaalen werden telkens, door onderlinge vreugdetraanen , van vaderlijke en kinderlijke liefde , afgebrooken. Toen de eerde 'hevige gemoedsbeweegingen bevreedigd waren, ijlde de Jongeling, om zijnen beminden Voogd, en als het ware tweeden Vader, op te zoeken, om hem tot getuige van zijn onverwagt geluk te maaken.

Wel dra kwam hij met hem aanloopen. De Grijsaart en de Koopman hadden zich nauwlijks gegroet, of bleeven

eikanderen ftaroogend aanzien. Hoe is uw naam,

mijn waarde Grijsaard, vraagde de Koopman? Edmund, antwoorde de oude; en die naam is ook de naam van mij, uwen gelukkigen Broeder, riep de Koopman uit, vol van verwonderinge en blijdfchap, en omhelsde den ouden Grijsaart, die als fpraakloos van verbaasdheid op hem bleef

ftar-

Sluiten