Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dochter. *37

Doch mijns Vaders meening, aangaande mijne keus, was, toe mijn ongeluk, maar al te zeer gegrond. Want* toen dit verachtelijk mensch, in'wiens handen ik den gantfchen gelukftaar mijns levens toebetrouwd had, merkte, dat mijne verwachtingen naar een aanzienlijk vermogen geheel ten einde waren, verliet hij het Koningrijk en het eerfte bericht, dat ik van zijne vlucht verkreeg,' kwam van eenen man, aan welken hij alle de meubelen van zijn huis te gelijk met de juweelen, welke mij in eigendom toebehoorden, ja zelfs alles tot op het kleed, dat ik toen droeg, yerkogt had, hatende mij alleen nen guinies, om daar mede in eene, voor mij onbekende wereld, te gaan leeven, en een arm hulpeloos kind te onderhouden, dat even zoo onnatuurlijk en wreed verlaaten was, als deszelfs ongelukkige moeder.

Bij wien , of hoe , of wat kon ik nu klaagen? In de" eerfte oogenblikken van mijne droefheid , weêrhield mij niets, om in die mismoedigheid mijne handen aan mij zelve te flaan : dan alleen eene zich daar tegen aankantende liefde voor mijn klein ongelukkig zoontje. Wanneer ik den ellendigen toeftand overdacht, waar in ik mij zelve gedompeld had, werd ik fchielijk van eene dolle raazernije aangevallen. Doch zoo dra ik mijn klein onfchuldig kind weder aanfehouwde, en bedacht, dat zijn leven enkel en alleen van het mijne afhing; zoo veranderde mijne mismoedigheid in angst, welke in eenen vloed van traanen uitbarstte. Met de reeds gemelde tien guinies , en een Weimggelds, dat ik van Vrienden geleend had, die zich nog zoo ver vernederden, mij te willen kennen, heb ik middel gevonden, mij twaalf maanden met mijn kind te onderhouden. Deeze zijn , zedert de vlucht van mijnen barbaarfchen echtgenoot, langzaam genoeg verftreeken. De voorige onderfteuningen beginnen , helaas mij te ontbreeken. Mijne meeste bekenden zoeken allerleie voorwendzelen, om alle gemeenfehap met mij ongelukkig aftefnijden; en ik, die het voorheen, voor berispelijk hield, om ooit mijnen Vader iets in te willigen, ben thans genoodzaakt, medelijdende Vrienden om een aalmoes aan te fpreeken. Het einde van mijn treurig, doch door mij zeiven bewerkt noodlot, is voor mijne oogen verborgen. Mijn kind ligt, in dit oogenblik,gevaarlijk aan de koorts ter neder. Het gevaar, is voor hem te grooter, daar het ons beide aan de allernoodwendigfte behoeften ontbreekt, wan neer'er zich niet fpoedig eene uitkomst gebeurt, waar door wij onderfteund worden? Ik waag het niet, mijnen Vader, om medelijden, voor

mii zelve aan te fpreeken. Doch —— Eerwaardige,

- Jfte Deel. Mengelft. No. 7. R ' 'oor-

Sluiten