Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gt£ Werken van de Maatschappij der

Hen rik Laürentz Spiegel. Men bleef «iet

dit al, tot aan het einde van de zestiende eeuwe, onkundig

van den waaren trant en maate onzer verzen. En de

meer volmaakte en manbaare volkomenheid in maat en taai begint met den aanvang der zeventiende eeuwe regt te naderen ; en de eer hier van moet den beroemden Hooft

worden toegekend. Laat ons hier de eigene woorden

van onzen Schrijver opgeeven.

,, Pieter Corneliszoon Hooft, reeds in zijne vroege jeugd een lid van de vermaarde Kamer in Liefde Bloeijende 2eweest zijnde, reisde in den jaare 1598, nog maar agttH|| jaaren oud, naar Frankrijk en Italië, 'c Geen hij voor dien tijd gerijmd had, was plat en zenuwloos. Leest men nu den Brief, welke hij uit Florence , in 1601 , aan zijne Amfterdamfche Kunstbroederen fchreef, dan moet men zien verwonderen over de verbeteringe in den zwier, trant en ftijl deezer Verzen, en Vraagen, van waar toch heeft de jonge Hooft die bekwaamheid, en zulk eene vordering, in een vreemd gewest, zoo rasch gehaald? waar dat noodig iet geleerd , welk hem en zijne konstgenooten rot heden ontbrooken had? 't Antwoord is gereed: In Italië heeft hij 'c geleerd; van daar heeft hij 't te huis gebragt. Te weeten: Hooft, een jongeling zijnde van veel verftand , van een ongemeen vernuft, opgevoed in de befchaavende taaien en weetenfchappen , van natuure een Dichter, en heet naar kennis, verkeerde met de fchranderfte geesten van dien tijd te Florence en elders; las en Iprak de zoetvloeiende Dichters van Italië, in hnnne eigene lpraake; vond bij deezen dat zagte, dat tedere, dat zangrijke, in de Poëzije, welke hem in Ovidius behaagd hadt, maar dar hij ais nog in zijne Vadèrlandfche taaie niet had weeten naar te volgen. Hij wordt verrukt; ontmoetende die bevallige melodij in de gedichten eener leevende fpraake. Hij ziet het den Italiaan

af; past het toe op zijn Nederduitsch. Toen ontdekte

hij den Cadans, het hooge en laage der lettergreepen, kunstig bijeen geplaatst; voorts de maat, de rust, de fneede, den trant, den dans en de muzijk in zijne Vadèrlandfche Verzen, en keert met deeze kundigheden naar huis. Alhier deek hij zijnen kunstbroederen zijne ontdekking, opmerking en gedagten mede; hij fchrijft Zang en Minnedichten naar den trant en aartigheden derltaliaanen; ook onder anderen, en reeds in den jaare 1605, dac kunstig en kragtig vers;

„ Weit yevtaodt beter faus ais banger tot de fpyzen,

„ Voorts

Sluiten