is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Historie der Zijdewormen. 103

De Eiertjes zijn rond en plat, en hebben in 'c midden een klein , doch merkbaar kuiltje, en zien 'er in 't eerst geel, daarna bruin, en eindelijk graauw uit.

Uit deeze eiertjes komen bruine Wormpjes met zwarte kopjes. Zij hebben negen kringen om het lijf, zestien voeten , aan iedere zijde negen openingen, eri agter aan het langwerpig lighaam een hoornfpits.

Maar zoo blijven zij niet lang; want bij iedere vervelling veranderen zij van kleur, en ten laatfte worden zij poorfchijnend of witachtig geel.

Ieder Zijdeworm of rups is, gelijk alle andere foorten van rupfen, niets, dan een Uiltje, door veele huiden of vellen bedekt, welke het van tijd tot tijd af moet leggen. Dit doet de rups kort na haare geboorte, en naderhand vervelt zij nog wel viermaal, na genoeg alle zeven dagen.

Bij deeze vervelling fchijnt zij krank te zijn, blijvende ettelijke uuren, en zomtijds wel eenen gantfchen dag, Uil zitten, zonder te eeten of zich te be weegen.

Tusfchen deeze vervellingen geneert zij zich van moerbezienbladeren , en groeit binnen zeven dagen zoo zeer, dat de buitenfte huid' haar te naauw wordt. En dit is de eigenlijke oorzaak, waarom zij ze moet afleggen.

In den tijd van tien tot dertien dagen na de vierde vervelling, na dat zij gantschlijk doorvoed en verzadigd is, én haaren hoogften'leeftijd , van veertig of een en veertig dagen, gelukkig bereikt heeft, wordt zij aan het agterlijf geel, ontlast zich van alles , uitgenomen van het taaie vocht, waar uit zij naderhand zijde fpint. Dit gefchiedt op de volgende wijze:

Het vocht veroorzaakt haar pijn. Hierom kruipt zij met een opgerigt hoofd zoo lang in 't rond, tot dat zij eene bekwaame plaats gevonden heeft, waar zij haaren cerften draad aankleeven, en zich vast maaken kan.

Wanneer dit gefchied is , kromt zij zich zoo lang met het geheele lighaam naar alle zijden , tot dat haar gefpin vaardig, en al het vocht uitgefponnen is.

Dewijl nu bij deeze kromming geftadig twee draaden te gelijk uit haaren mond gaan , zoo ontftaat rondom haar een webbe, welk men Kokon, Tonnetje of Dopje noemt.

In deezen kokon, of in dit tonnetje, legt de rups, na verloop van ettelijke dagen, haare laatfte huid, waar aan de zestien voeten blijven hangen, af, wordt een Popje, en

na