Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j2

A. G. Spangenberg

hoofdzaakelijk overeen met de leer der Lutherfche Kerlt volgens de Augsburgfche geloofsbelijdenis, wat de befcbou* •wing betreft; in het beoefenende (practicaale) gedeelte vindt men gezegden en Hellingen , welke vrij wat overhellen naar, ten minsten ligtelijk aanleiding geeven kunnen tot, myftiekerij; hoewel deeze punkten hier met die omzigtigheid zijn voorgedraagen, dat zij ligtelijk den min geoeffendan of onöpmerkzaamen zouden ontfnappen.

In de voördragt der ftoffen wordt deeze orde gehouden $ dat, na eene beknopte inleiding, waar in de handelingen der Godheid met de menfehen tot de komst van Jefus, en de inrigting der Kerke des Nieuwen Testaments worden voorgedraagen, eerst gehandeld wordt van de Heiliga Schrift, dan van God den Schepper en Onderhouder van alle dingen, vervolgens van het beeld Gods, van de diepe verdorvenheid des menfehen, van de Engelen, van Jefus Christus onzen Zaligmaaker, van den Vader , Zoon en Heiligen Geest, van den Vader van onzen Heere Jefus Christus in 't bijzonder, dan van Jefus Christus den Zoone Gods, en van den Heiligen Geest. Hier op van den wille Gods aangaande onze zaligheid, van het Geloof, van den Heiligen Doop, van het Heilig Avondmaal, van de Heiligmaakinge, van de geboden Gods, van de liefde tot God, van de liefde tot den naasten, van de Kerk van Christus * van den dood en het heen gaan der geloovigen tot den Heere, van de verfchijninge van Jefus Christus en de opftandinge derdooden, van het laatfte oordeel, en eindelijk van het eeuwig leven en de verdoemenis.

Wij zullen den Leezer tot eene proeve mededeelen, het geen de Aucteur heeft van de Broedergemeenten , waar voor zij zich zeiven houden, en wat men van haar te houden hebbe, waar toe hij den grondflag legt bladz. 549, in zijn hoofdff.uk van de Kerk van Christus. „ Wanneer zich in de eene of andere Christelijke Religie een aantal menfehen bevinden zoude, welke bet een regte ernst was, de eerfte gemeenten van Jefus in allen deele zoo veel mogelijk gelijkvormig te worden, en die zich tot dat einde mét eikanderen verftonden; zoo zoude dat in allen opzichte eene verfchijning in het'Rijk onzes Heeren zijn, waar over men zich te verheugen had. Want waarom zoude het trachten naar eene waare hartens en geestes gemeenfehap* zoo als zulks in de Apostolifche gemeenten genoemd wordt, niet plaats vinden bij menfehen, die in 't geloof tot Jefus Christus gekomen zijn. en zich aan Hem van harte overgegeeven

Sluiten