Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

358

W. Hurd.

dat hij bij de deur des huizes koome. De Priester rnpet verzeld worden van zijnen Klerk, die het Kruis moec draagen, nevens het gewijd water, den fprengkwast en hec Misboek. Over weg mogen zij het klein fchelletje niec gebruiken, maar de Priester moec aanhouden mee voor den zieken te bidden.

„ Wanneer hij in het huis'treedt, doet hij de gewoone groete: „ Vreede zij deezen huize, en allen die daarin woonen." Na dac hij zijne priesterlijke muts afgenomen, en het vat met gewijde olie op de tafel heeft neergezet, biedt hij den kranken hec Kruis aan om ce kusfehen; vervolgens befprengc hij'het geheele vertrek met gewijd water, terwijl hij onder die alles eenige gebeden doet,' en een lied zingt op de gelegenheid flaande. Hij vermaant den kranken tot hec doen eener vrijmoedige en onagcerhoudende bekentenis zijner zonden; met bijvoeging, dat indien hij iets verzwijge, het Sakranenc van hec laatfte oliezei hem geen nut zal aanbrengen. Indien de kranke de blijken van eene'diepgaande gemoedsverbrijzelinge vertoone, zal de Priester hem zondvergiffenis fchenken, en' eenige gebeden uit het Misboek doen. Eer nog de Priester aan het zalven gaat, vallen alle perfoonen daarbij cegenwoordig op hunne knieën; en onder hec volvoeren der plegtige verrigtinge, bidden zij de boetpfalmen en litaniën voor de gelukzaligheid der ziele yan den kranken.

„ De Priester doopc den duim van zijne regtehand in de gewijde olie, en zalfc ieder ligchaamsgedeelce in de gedaante van een Kruis; midlerwijl fpreekt hij eenige woorden, op de plegtigheid toepasfelijk. De Klerk houdt eene brandende waschkaars en een bekken, waarin de katoenen balletjes liggen. De Geestlijke begint met het zalven van het regte ooglid, en gaat van daar voort tot'hec flinke , fpreekende midlerwijl deeze woorden: „ Moge God, door hec heilig óliezël, en door zijne goedertierene barmhartigheid, alle de zonden kwijtfchelden, welke gij met de oógen hebc gepleegd.". Dan veegc hij de olie van de oogen , en gaat vervolgens over'toe de ooren, mee de noodige verandering de zelfde woorden onder; hec zalven gebruikende. Van de ooren gaac hij over cot de neusgaten, en van daar toe den mond, en zoo vervolgens tot dat hij aan de voeten komt.

„ De zalving voleindigd zijnde, veegt de Priester de olie van zijne vingeren, en wascht vervolgens zijne handen. De kruimpjes brood, waar mede hij zijne vingers heeft gewreeyen, en het water, 't welk om zijne handen te wasfehen ■T* 'v' •x' ' 1 ' * " heeft

Sluiten