Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En Schriften der Apostelen. 535

Het komt ons, (om onze gedagten openhartig te uiten) voor, dac deeze verklaring van het begin van Joannes Euangelie meer verduisterd dan opheldert.

Wij waren blijde, dat wij gelegenheid hadden, om de ooiipronkelijke woorden van den Kmisgezant zelve te kunnen naarieezeh.

Alleenlijk behaagc ons daar in, het geen de Schrijver van de zoogenaamde JÈonen of Tusfchen goden der Gnostieken zegt, waar onder hij hec woord 0 Ao'yo;, waar van Joannes fpreekt, niec wil geteld hebben.

Doch, toen wij dat lazen, verwonderden wij ons dat de Leezer niet geweezen wierd, ( als was het maar met eene Noot geweest) naar de befchrijving, welke de Heer Hesz in het Tweede Deel van zijn Werk over de Gefehiedenis der Israëliten, van den Verbonds Engel gaf, die tot de Aarts- ■ vaderen uit naam van de Godheid, fprak, en daarom ook Jehovah en God genaamd werd, doch de Godheid zelve njet was, maar een Middenvoeezen tusfchen God en de menfehen. Hetgeen de laatereJooden NB. 0 \óyos, het woord, genoemd hebben (*). Wij verlangden te hooren, waar in zoo,een üion, of zoogenaamd jusfehengod der Gnostieken van dit Middenweezen, ons onbekend, verfchille.

Op het Euangelie, volgen de Drie Brieven van Joannes, en zijne Openbaaring; waar uit alleen de drie eerde Hoofdftukken eenigzins opgehelderd worden; met eenige algemeene aanmerkingen over de Symbolifche of Hieroglypiïche manier van voordellen in dat Boek.

In hec Vierde Hoofdftuk handelc de geleerde Schrijver over de verwoescing van de Scad en Tempel van Jerufalem; waar in zeer wel wordt aangeweezen, hoe het Joodfche Volk, voorheen zoo zeer beweldaadigd, eene regevaardige vergelding kreeg, voor hec verwerpen van den Mesfias, en 'gehinderd werd de uicbreiding van zijn heilleer verder te dwarsboomen; en hoe nauwkeurig daar door is vervuld geworden, al wat hun de Heer Christus te vooren voorfpeld had.

Men vindt daar eene korte opgaaf van het geen die verwoest

(*) Wij verzoeken onzeLeezers op te (laan: de Nederl.Bibl, VID. 1 St. bladz. 184; waar zij de eigene woorden van den Heer Hesz, over het Middenweezen vinden zullen; met onze aanmerkingen daar over,

Nn 4

Sluiten