Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\6 L A D IJ JOHANNA GRAIJ.

Door een rechtfchapen doel wil aadlen. Niet aan mij, Aan Hendriks Dochteren behoort de heerfchappij; Zo lang die leeven, is de troon voor mij geflooten.

kort'h u meerland.

Zijt gij dan minder uit het eigen bloed gefprooten? Heeft haar 't Geboortelot aan Eduard gehecht, Uw deugd, uw goedheid geeft u tot dien tijtel recht. Pleeg hij niet zelf u met dien zoeten naam te noemen? Verdient Maria, die op niets van hem kan roemen, Die trotsch en wreed den wenk des minften PrLesters eert, Die nooit den grooten pligt der Vorften heeft geleerd, Om in het heil des Volks hun heil alleen te vinden, En aller harten aan hun goedheid te verbinden; , Verdient zij meer dan gij, in wie die Vorst herleeft, f Den naam van Zuster, die haar flechts het noodlot geeft?

L A D IJ O R A IJ.

Die lof, hoe lieffelijk zij van eens Vaders lippen Ook anders in het hart uws Dochters pleeg te glippen , Heeft in dit oogenblik niets dat mijn boezem ftreelt. Maria wordt door u zo haatlijk afgebeeld, Om bij dit zwart tafreel mijn waarde .

NORTHUMBERLAND.

Hoe! zo even Hebt gij mij de eigen fchets van haaren aait gegeven; Is zij niet trotsch? niet wreed? Vergeet gij 't bang verfchiet, Dat met haar komst ten treon de Waarheid voor zich ziet?

L A»

Sluiten