Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vaderlandsche Geschiedenisse. 237"

?en van en de fterkfte aanmaanfters tot den krijg waren, die de zwigtenden, tot het hervatten van 't gevegt, aanmoedigden door de Slaavernij als op handen te toonen, welke het nog best vreesde om den wil hunner Vrouwen, bij hun in de hoogfte achting, en wier veel vermogende raad niet

in den wind werd geflaagen, zulk een Volk trekt met

die waarde Panden, voor onderdrukkend en onafweerbaar geweld vreezende, ten Lande zijner wooninge, uit, om elders vrijen adem te haaien.

Wie twijfelt of zij hebben, een onbevolkt Land aantreffende , zich daar nederzettende , zagter neigingen gekweekt. Niet ontrust door geftaadigen aanval, bouwden zij naar de wijze hunner Vaderen, geene Steden, maar op zich zei ven ftaande Huizen, ter plaatze, die hun gevoeglijks: fcheen; de ruwe ftof, welke zij gewoon waren te bezien, troffen zij ligt aan; deeze wooningen, elk van eene voeMijke ruimte omringd, ftonden, zoo veel mogelijk, op eene hoogte, om voor de overftrooming des waters beveiligd te zijn. Het mede genomene groot en klein Vee, de rijkdom der oude Duitfcberen, verfchafte hun, voor een groot gedeelte, fpijze. Geen krijg voerende , dan vervolgens, des noods, tot verdeediging hunner Bezittinge en Vrijheid, hebben zij waarfchijnlijk , in 'c eerst, de zorg des akkerbouws, niet alleen den Wijven en oude Lieden overgelaaten, maar zich hier op, meer dan voorheen , toegelegd De Jagt en Vischvangst ftrekte hun tot levens^

ondeihoud en uitfpanning. Zulk eene plaats en ftand-

verwisfeling, moet gewis eene groote verandering te wege eebragt hebben, in de doorgaande bezigheden, 't Kwam hun, in deezen ftand, niet meer te pasfe, „ het luiheid en vadzigheid te dunken, door zweet te verwerven, t geen V zij met bloed verkrijgen mogten," anders een ftelregel c>r oude Germaanen , „ die kwistiger met hun bloed, dan met hun zweet waren" (*). Dat zij, nogthans, den krijg niet ontwenden, toont het vervolg hunner Gefchiedenisfe, na een ",root tijdvlak, *t welk wij bij mangel van befcheid, wanneer zij naar 't Eiland der Batavieren toogen, niet kunnen bepaalen ( § ); doch yrijlijk groot noemen; déwijl Tacitus, omtrent honderd Jaaren na onze gewoone Tiidreekening, van hunne verhuizinge fpreekt, als van eene

oude

("*) Tacitus de Morib. Germ. Cap. XV. (%S Offer'} au 5 over Nederlands eerfte Bevolkers, Verb. itr lill. Maatfcb. VI. 0. I St'. bl. 189.

Q 5

Sluiten