is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44»

j. Claessen,

verrukt uitroepen: ,, al wat aan hem is, is gantsch begeer-. „ lijk." Daar omtrent geloovig werkzaam te zijn en te ▼erkeeren, moet ons verlegen maaken, aan wien van de Goddelijke beftaanlijkheden , 't zij aan God den Vader, of aan zijnen grooten Zoon Jezus Christus, wij de grootfte

dankbaarheid verfchuldigd zijn. Wanr heeft de Vader

de wereld zoo liefgehad, dat hij zijnen ééngebooren Zoone niet gefpaard, maar hem overgegeeve'n heeft;

Ghris us Jefus, die in de geftaltenisfe Gods was, en het geenen roof behoefde te achten Gode gelijk te zijn, heefc den troon zijner heerlijkheid veriaaren, heeft zich vernederd, is gevonden in de geftalte van eenen dienstknecht, en is gehoorzaam geworden tot den dood, ja toe den dood des kruices.

„ Laaten deeze waarheden als zeker en het gemoed overreedend erkend en vastgehouden worden :

„ Dat de aigemeene en voor alle menfchen zoo nadeelige verdorvenheid, waar door zij aan erf- en daadelijke zonden van de jeugd aan en vervolgens onderhevig zijn, in Adam, als de oorzaak van dezelve, moet gezogt worden terwijl alle menfchen in hem middelijk en onrniddelijk als den vader en het hoofd van allen gerekend zijn, dis dus, zelfs in den eigenlijken zin, aan die eerfte Paradijs-zonde fchuldig ftaan.

„ Dat door den val van onzen eerften Stamvader en Hoofd Adam rechtvaardig veroorzaakt is de ftraf op de zonden bedreigd, of, dat her zelfde is, dat door die zondede lighaamelijke en geestelijke dood ter wereld binnen gekomen is, dat wij, om van den H. Paulus een woord te om.

leenen , allen in Adam fterven. Doch maakt u ge-

gefchikte en geene te bekrompen denkbeelden van de ftraffe. welke God op de zonden bedreigd heeft; wagt u wel dat gij het eigenlijk zoo genaamd fterven, of de affcheidin» van de ziele van het lighaam, zoudt laaten uitputten alles wat 'er in den lighaamlijken dood re vinden is; neen alle rampen, bezoekingen, onfpoeden, fmerten, en kwaaien, rr- één woord, alle lijden, waar toe ik breng fmerre, fmaad en fchade, moeten 'er biikomen; en deeze waarheid Zï l , op her geen wij van her Borgtogtelijke van Christus lijden opgeeven zullen, grooten invloed nebben, en daarom k' ii men zich d>e waarheid niet genoeg inprenten.

„ Vergeer den geestlijken dood niet aan re merken al» eene eigenlijke Hraffe op de zonden, en vergenoegt u niet

met