Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vek geleeken.

flj»

waarin wy door deeze beide Schryvers gebragt zyn.

E. Ik zal my dan van geene omwegen langer bedienen. Ik geloof, dat de Germaanen wel degelyk geloofd hebben in den eenigen waarenGod, het Wezen aller Wezens, en dat zy denzelven gekend en geëerbiedigd hebben in veele zyner volmaaktheden en Goddelyke eigenfchappen. Wanneer gy u herinnert, dat deeze natuurlyke Godsdienst, oorfpronkelyk aan alle volken gemeen , haare fpooren zeer lang , zeer kennelyk , niet tegenftaande het doorbreeken van de Afgodery, onder veifchillende volken heeft nagelaaten , gelyk wy niet alleen uit de gevallen der aardsvaderen met de Egyptenaaren, de Philiftynen en andere natiën, maar ook uit verfcheide aanmerkelyke plaatzen der Griekfche en Romenifche wysgeeren kunnen opmaaken; is het niet-vreemd, dat een onvermengd , oorfpronkelyk, deugdzaam volk, die.deeze denkbeelden uit Jfien had medegebragt, dezelve onveranderlyk in het geheugen heeft bewaard , zoo lang zy door de weelde en door de navolging van bedorve natiën niet verbasterd waren. En deeze erkentenis van het Opperwezen , welke wy by de Noordfche Germaanen in laater tyden nog ontdekten, kunnen wy zelf uit eenige uitdrukkingen van tacitus, hoe weinig het zyn toeleg fchynt geweest te zyn, hoe ligt hy in het oude fpoor van bet veel-Godendom ook vervallen is, opmaaken. —

Dit

Sluiten