Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOP EN TELEURSTELLING. 1$

fiorm af. Hij vreest geen kwaad gerugt: want zijn hart is vast, vertrouwende op den Heere (*). Gelijk hij tot eene Hoogere Magt met goede hoop kan opzien , zoo kan hij zonder ongerustheid eiken menfche onder de oogen zien, wanneer hij bij zich zeiven bewust is , dac niemant hem kan verwijten , zijns naasten regten verkort , of hem zonder oorzaak getergd en gegriefd te hebben. Van hier een kalm gemoed bij dag , en ongeftoorde fluimeringert in den nacht. Van hier de hoop op de beftendige befcherming des Hemels, die over den regtvaardigen waakt. Hij verfleekt mij in zijns hutte ten dage des kwaads; hij verbergt mij' in het verborgene zijner tent; hij verhoogt mij op eensn rotsjieen Q).

II. Bchalven deeze verwagting van inwendigen vrede heeft een deugdzaam mensch grond om te verwagten, dat allerlei uitwendige lotbedeeling, welke, in den Joop der menschlijke zaaken, hem zal bejegenen, voor hem, door middel van deugd en wijsheid , indien niet volkomen aangenaam, immers draaglijk zal worden. Dat wederwaardigheden van verfchillenden aart over het leeven van eiken fterflijk

mensch

O Pfaim CXII: ?. (f) Pfalm XXVIIr 5.

Sluiten