is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jc$- Korte Beschrijving der Pyreneen.

De Steenbokken of wilde Geiten houden zich do«r<raang op de .hoogfte toppen der bergen op, zoekende zeer zorgvuldig zoodaamge plaatzen op, werwaard hen geen hunner vijanden kan vervolgen. Hunne ongemeene hVth'eid ftelt hen m ftaat, om dit te doen. Zij kunnen in eenen fpron« van de eene rots op eene andere, op een' aanmerklijken afftand van daar, fpringen Men verzekert zelfs, dat zij, wanneer zij vervolgd worden, en niet verder kunnen vlugten, zich van eene hoogte van meer dan honderd voet neerftorten Zii vallen dan op hunne hoornen, die rugwaard gekromd'zijn en hunne herfenpan is zoo fterk, dat zij dien ftoot uithoudt. Om deeze reden is de Stecnbokkenjagt met veele zwaarigheden verbonden. Daarenboven zijn zij zeer voorzang Zij ontdekken al, wattegen hen nadert, zeer fijn en'van verre. Een van hun maakt op den minften onraad een gelchreeuw, welk naar het geluid eener fijne zakpijp zweent en in een oogenblik vlugt en verftrooit zich de Geheele' hoop In hst voorjaar vangt men ze met ftrikken, wanneer men de plaats, daar zij heen en weer pleegen te gaan wel kent. Geduurende den winter, wanneer alles met dikken lneeuw bedekt is, zoeken zij plaatzen aan den voet van het gebergte, alwaar zij zich met rnosch en de bast van hoornen behelpen. Naderhand brengt de honger hen op de laagere heuvels en de weiden, daar zij dan minder voorzigtig pleegen te zijn. Eene uure na zijne geboorte is het jonge Steenboksken in ftaat, om zijne moeder te volgen en den jaager te mijden. De wijfjes zijn bijkans zoo groot als de geiten; maar de oude mannetjes zijn weel grooter, dan de gewoone geitenhokken; en deeze houden zich alleen in den winter bij de overige kudde; maar in den zomer zoeken zij die plaatzen op, daar de beste weide is, en verdrijven

Ten minde zou die bijzonderheid, als eene uitzondering tegen den algemeenen regel, de opmerkzaamheid van de Kenners 'der natuurlijke IMorie verdienen. Nergens, voor zooveel wij ons erinneren , hebben wij melding daar van gevonden. Ook is het onwaar, dat de Beer, watteer hij flechts ligt gewond is, den Jaager aantast. Reizigers, die Gewesten bezocht hebbende, alwaar de Beeren in menigte zijn, getuigen eenpjaarig; dat zij, na eene ligte kwetzing, zoo wel, gelijk ieder'ander dier, de vlugt neemen, uitgenomen het geval, wanneer zij zoo in de engte gedreeven zijn, dat zij zich «ergens kunnen redden; en in zoo een geval verweert zich óck het zwakfle dier, zoo goed het kan,