is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44*

J. D, MjCHAêlJS,

pen. Om van de groote en rijke gefchenken der Toodeu der zeer talrijke Joodengenooten, ja ook van Heidenen in 't geheel geene melding te doen, om dat men daar omtrent in 't geheel geene bereekening kan maaken; gaf ieder Tood over de twintig jaaren oud, jaarlijks een' halve Sikkel (omtrent een' halve gulden, het mark zilver tegen agttien guldans gereekend) aan den tempel, en zulks niet enkel in Paleftina, maar ook in het geheele Romeinsche en Parthifche rijk, zelfs werd het geld, in het Parthifche rijk ten deezen einde bij een gezameld, in twee vestingen, Nifibis en Nehardaa, zoo lang neergelegd en bewaard,' tot dat het met de karavaanen veilig naar Jeruzalem overgebragt kon worden (/). Dit hoofdgeld alleen moet jaarlijks ten minfte eene halve millioen Rijksdaalders hebben opgebragtwant onder een en eene halve millioen volwasfen jooden weet ik nauwlijks te reekenen O). Herodes bouwde den tempel op zijne eigene kosten. Tot den opb»uw des

rem-

(/) J«s. /. c. XVIII, 9, r. XIX, 7. 3.

(»:) Cestus Gallus wenschte het getal der Jooden te weeten om den Keizer Nero, die het volk te gering fchatte. een richtiger begrip aangaande deszelfs grootte geeven. Hij wendde zich derhalve, volgens het verhaal van Josephus de bello Jud VI, 9, 3, aan de Pioogepriesters, en vroeg, of'er geeiniddel was, om het getal des volks uit te brengen. In de daad was het wel Eeer ligt geweest, Hechts van eenige jaaren door elkander te berekenen, hoe veele halve Sikkels in den terapelfchat ingebragt waren; doch men kan gemaklijk begrijpen dat zij juist niet veel zin hadden, om den Romeinfchen Stadhouder tot eenen vertrouwling van zulke groote inkomlien te maaken. Zij verkooren derhalve een ander middel, lieten de Paaschlainmeren tellen, die op het «aastvolgendé Paaschfcest gedacht, werden, en dezelve beliepen twee honderd zes en vijftig duizend en vijf honderd lammeren. Josephus merkt aan, dat tót ieder Paaschtam een gezelfchap ten minde van tien, en zorritijds van twintig dischgenooten geweest .was, en berekent daar uit het getal der Jooden, wijl toch alle de onreinen van het eeten des Paaschlams uitgeflooten waren, op twee millioene» zeven honderd duizend maïs.

Deeze reekening is'werkelijk al te befcheiden, en vijf mijÜfe» lioenen zou wel richtiger weezen. Vooreerst rekent hij in 't geheel niet^op een middengetal tusfehen tien en twintig dischgenooten; 't welk nogthans hier des te noodzaakeiijker was, wijl zelfs, wanneer enkel volwasfene mansperzoonen te zamenaten, wel meer dau tien aan één Paaschlam genoeg hadden, bij voorbeeld,