Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( *3 3

cïl onderwees ons ook in de kunst om cok die uitteleggen — ■en al de geheimen — Neef die uit Duitsland verkogt geweest zijnde, jaaren lang onder de Natie gevaaren hadt, en alhoewel een Duifcher zijnde, de Engclfe Natie door endoor kundig; was, rade hem en mij om hen niet te veel goud te gelijk te vertoonen, want om dat hij ze kende, zeide hij, zij vallen wat honperig, en vreemd goed lust hun 't beste, en alzoo hielden wij wat op fcheutig te zijn, en niet te veel te vertoonen, op dat wij niet geluist wierden.

Verder in discours geraakt, en mijn boekjen in miin ' hand hebbende, las hij ons voor, in *t Samcretis, dat wij zoo wac begonnen te verdaan, dus las hij het begin , van de wording , den bloei, en eindelijk den geheelen ondergang der Rajaas voor — ja hunne geheele vernietiging, dit ons te geheimzinnig zijnde, riep hij met een verbaazende dein uit, toen ik hem, een Hommel, Wesp, Raaf, Gier, een Arend, ja toen ik hem een luis wees. — Homelo bob , kwidaras parabadares, wij fchrikten, en aagten wat is dat? hij was verrukt, dog bedaarde, en zeide: mi zaf ik 11 alles uitleggen, ik zie dat Brama, die de fchipper is , uit liefde voor dat vee, omdat de dijken doorgebroken waren, hen in zijn fchip nam , hun te vreten gaf, en voor 't verzuipen bewaard hebbende, op 't laatde toén 'c land weder drong wierd, uit zijn fchip uitliet. — Na bun nu zoo veel goeds gedaan te hebben , is hij van dat ongedierte met de grootfte ondankbaarheid mishandeld geworden , toen Brama het land ontginde, en *t graan groeide, vraten hem de Bokken, Ezels enz. het op, zijne fchapen vraien de Tijgers, zijn Duiven wierden door de A'enden , Gieren en diergelijke Roofvogels gedolen , en de flang dak hem toen hij aardbijën wilde plukken , in de hand enz. ziet daar, dat is vaders Brama's dank. — Ja alle de beesten vereenigden zia, om Brama en zijn zoonen tc onder te krijgen, en dat is hun gelukt, en zoo zijn mijn voorvaders en ik van alle die Rajaas" te ondergebragt, zoo dat wij voor hun moeten wurmen en wroeren. en naauwelijks van hun voor ons zweet en bloed, een brokjen brood bekomen, zoo dat alle die Rajaas , die Hinkende bokken, morsfige varkens, luije ezels, bloedgierige tijgers, valfuie flansen, en adders, onzen vader Brama, die een beer geworden is, zijne omtuiningen verbraken, 't gewas verrraden, en wat bij voor hem en zijne kinderen vergaderd had, wegnamen, en hem zoo kaal maakre, dat hij nergens zig meer te bergeiAwiste, ja zeer veel van zijn nakomelingen hebben zij, toen de Raiaas onder eikanderen ruzie kregen, om den bah Rebragt. Zie daar nu 'r loon voor weldoen — nu en dan. als hij driftig wierd, fprak hij Samcretis , en foms zat hij als in gedachten, eens als of hij ontwaakte , fprong hij op , en herdagte . dat hij in de kop van zijn gouden afgod» beeld, een boekje toen hij ontvlugte, ingefloten had, waar op hij na zijn kamer liep, kwam met zjjn boekje terug, al kusfende en Jkusfende, bezag't zijne en toen het mijne, en riep met een Braminfe Heiligheid: o la pucre pigre mabi, d'uwe is compleefer, bi) zag dat zijn boekje maar z deelen behelsde , en het mijn een deel en een titelblaadjen meer had, hij bekeek het mijne, ij-irong op van blijdfchap, zijn handen kusfende enz. ma pat, ma patoro, geluk: gejujs geluk! met bedaarde'oogen keek hij dit 3de premjrn, dan. zende van blijdfebap, en al huppelende en fprjnsendc, afgebroken met huilen é\ laggen dotterde hij uit: pi ma to ja ra ter! patmam buc, bo bo bi bi, dat is: o ri»-" gelukkige tijden hebbe ik ie wajten, wij BuixiiBners zullen onze regten wedaikiïj^en .

Sluiten